Je goed voelen

Hoe vaak zeggen we niet tegen een piekerend kind: “zit eens niet zo in je hoofd?”. Het lukt het kind op dat moment niet bevredigend te handelen. Hij probeert middels denken tot een oplossing te komen en in dit repeterend denken loopt hij vast. Dat noemen we piekeren. In therapie kun je een kind helpen gezondere denkstrategieën aan te leren. Maar er is meer nodig. Alleen leren minder angstig te denken zorgt er namelijk niet voor dat het lichaam niet met hem aan de haal gaat zoals zweten, trillen of een brok in de keel.

Met lichaamsgerichte therapie maak je het kind bewust van wat het in zijn lichaam voelt als het zich ergens druk over maakt. Het gaat daarbij niet alleen over de ervaren emotie, zoals verdriet of boosheid, maar ook over de plek waar het kind in zijn lichaam een druk of ongemak ervaart. Door hem te vragen hardop te benoemen wat hij waar voelt in zijn lichaam en dit te beschrijven neemt het automatisch een beetje afstand van het probleem. Het piekeren erover vermindert hierdoor aanzienlijk.

Doordat we in een maatschappij leven waar weinig cultuur is voor het ‘voelen’, lijken we vergeten te zijn dat we geboren worden als een ‘voelend wezen’. In het begin voelen we honger, dorst, kou of warmte en maken we met geluiden kenbaar aan onze omgeving dat dit verholpen moet worden. We hebben nog geen cognities. Zodra we leren denken en verbanden leggen gaan we betekenis geven aan wat er om ons heen gebeurd en leren we de wereld om ons heen te snappen.

Als er vervelende dingen gebeuren verwerken we dit of we verdringen het. Verdringingen zijn succesvol weggestopte gebeurtenissen. Deze kunnen opnieuw actief in het bewustzijn komen doordat een nieuwe gebeurtenis ons ‘onbewust’ hieraan herinnert. De emotionele en lichamelijke spanningen die nog onverwerkt in ons lichaam aanwezig waren worden actief zonder dat we zelf snappen waar dit vandaan komt. Daarom komen we er met denkwerk niet uit.

Het is bij ons de cultuur om bij lichamelijk of emotioneel ongemak iets te nemen om de pijn te laten verdwijnen. Ook als we voelen dat we gestrests zijn of iets traumatisch meemaken gaan we het liefst weg bij dit onrustige gevoel. Gek genoeg vaak door nog drukker te gaan doen.

Onze kinderen doen dit ook. In therapie merk ik dat kinderen makkelijker dan volwassenen in staat zijn om contact te maken met wat ze voelen. Waarschijnlijk omdat ze van het gevoel minder ver verwijderd zijn. Als therapeut help je het overmatig piekerende kind bewust te worden van spanningen in zijn lichaam. Je vraagt het kind opmerkzaam te zijn waar deze spanningen zich bevinden en ze te beschrijven. Door geïnteresseerd te zijn en er in rust bij te blijven lossen de spanningen beetje bij beetje op. Dit werkt in combinatie met het ontwikkelen van helpende gedachten voor een probleem goed. Mijn ervaring na vele sessies, is dat lichaamsgerichte therapie duidelijk zijn vruchten afwerpt. Na enkele sessies ervaart het kind dat de klachten afnemen.

Wil je er meer over weten? Peter Levine schreef hierover het boek:”De stem van je lichaam”. Hij heeft een achtergrond in biofysica, stressbehandeling en psychologie. Hij werkt als stress-consulent in het Spaceshuttleproject van de NASA en is een expert op het gebied van traumabehandeling en lichaamsgerichte therapie.

Griezelig eng

Griezelen is voor sommige kinderen een lolletje. In mijn praktijk komen kinderen die minder makkelijk met griezelfiguren op televisie of de computer om kunnen gaan. Zij slapen er slecht van, dromen enge dingen of durven minder makkelijk zonder moeder op pad.

Marieke van zes jaar heeft bij een vriendinnetje samen met haar oudere zus naar een spannende kinderfilm over heksen gekeken. Het vriendinnetje vond het een leuke film. Marieke durfde niet te zeggen dat ze het spannend vond. In haar ogen was het heel echt wat ze zag. Nu denkt ze steeds mensen op de fiets te zien die eng naar haar kijken of zelfs in heksen veranderen zoals in de film. Ze wil na school niet meer bij andere kinderen afspreken. Of haar moeder moet mee. In de kindertherapie wil ze het overal over hebben, behalve over dit onderwerp, omdat ze bang is dat het daardoor erger wordt.

Denken dat het beter is het er niet meer over te hebben is begrijpelijk, maar werkt alleen met betrekking tot het rationele bewustzijn. In het onderbewustzijn speelt het irrationele nog een rol en jaagt de angst verder aan. Marieke heeft het spelen bij een ander gekoppeld aan het angstige gevoel dat ze kreeg tijdens het kijken naar de heksenfilm. Dit had thuis ook kunnen gebeuren. Thuis is haar moeder er die haar een veilig gevoel geeft. Marieke kruipt als het ware terug onder moeders vleugels omdat het daarbuiten te onveilig lijkt.

De scheidingslijn tussen fantasie en werkelijkheid (het irrationele en het rationele) is voor kinderen tot grofweg een jaar of zes flinterdun. Het naadloos overgaan van fantasie en werkelijkheid wordt ook wel het ‘magisch kind denken’ genoemd. Marieke zit in een overgangsfase. Zij is meer en meer in staat om het verschil tussen fantasie en werkelijkheid te bevatten. Een aantal sessies lang werd het heksenonderwerp gemeden. Ondertussen ontstond er een sfeer van veiligheid en vertrouwen. En op een goed moment kon de angst bespreekbaar worden gemaakt.

In de film is een vrouw te zien die in een mum van tijd verandert in een enge heks. De filmmakers hebben daar animatietechnieken voor gebruikt. Marieke heeft hier, net als alle andere jonge kinderen, geen weet van en ziet een vrouw in een heks veranderen. Zij neemt wat ze ziet voor waar aan. De filmmakers zijn geslaagd in het creëren van een illusie. Ik laat Marieke aan de hand van een pruik, bril en gespeelde enge gelaatsuitdrukkingen, ervaren hoe snel iets er voor het oog anders uitziet. Zij weet dat ik het ben en toch ziet ze een eng type.

Ook tekenen we de heks in vijf stappen terug tot een gewone vrouw. We vouwen het blaadje zo dat de gewone vrouw en de heks naast elkaar staan. “In die film hebben ze de stukjes van het verkleden eruit geknipt”, leg ik haar uit. Daar waar het kind bang voor is, kun je ontkrachten door het terug te brengen tot wat het werkelijk is: een goed verklede vrouw of een knap gemaakte pop. Vervolgens is er ruimte om aan de angstgevoelens te werken. Door de angst in een veilige setting te doorvoelen, vloeit hij weg.

*) Om de privacy te waarborgen is gekozen voor een fictieve naam.

Stil verdriet

Een kind dat een vader of moeder verliest waarvan het niet anders wist dan dat hij of zij er altijd zou zijn, wordt vaak verscheurd door verdriet bij het ontbreken van die vanzelfsprekendheid. Mats (11 jaar) weet dat zijn vader ziek is en niet meer beter gaat worden. Hij heeft kanker en kan met medicijnen zijn leven alleen nog verlengen. Sabine (19 jaar) komt naar me toe om te verwerken dat haar moeder is overleden. Er is nu niemand meer om na school een kopje thee met haar te drinken. Kinderen zoals Mats en Sabine moeten kunnen rouwen en verwerken om verder te kunnen.

Mats, 11 jaar
Als Mats voor het eerst bij mij komt, zie ik een jongen met een van ingehouden verdriet vertrokken gezicht, die nogal zenuwachtig aan zijn kleding zit te plukken. Bij alle volgende sessies die ik met hem heb beginnen de tranen al te lopen als ik hem in de wachtkamer ophaal. Hij heeft veel onderdrukte spanning. Over de ziekte van zijn vader praat hij nog niet. Wel vertelt hij druk over alles wat klasgenoten in zijn ogen niet goed doen. Kritiek geven is geen probleem voor hem. Maar daarmee houdt hij het buiten zichzelf. Als we over hem gaan praten, over wat hij voelt, is dat lastiger voor hem. Om hem te helpen bij zijn gevoel te komen pak ik fotokaarten van mensen met verdriet. De mate van verdriet verschilt per foto en hij mag beschrijven wat hij ziet en denkt. Hij kiest een foto uit waarop een meisje huilt.

Zo is er in zijn klas een meisje wiens vader in de zomervakantie is overleden aan kanker. Mats vertelt me dat hij weinig van haar verdriet merkt. Alleen toen er een toneelstuk werd opgevoerd waarin iemand doodging, zag hij dat de juf naar haar toe liep en een arm om haar heen deed. Hij heeft er geen behoefte aan om met haar over zijn vader te praten, maar vindt het fijn te weten dat er iemand is die zijn verdriet snapt. Wat Mats laat zien in zijn gedrag is dat hij weinig succesvolle ervaring heeft met het goed verwerken van verdriet. Over de ziekte van zijn vader voelt hij zich machteloos. Hij heeft geen invloed op het verloop ervan. Iets in hem denkt op de irritatie ten aanzien van zijn klasgenoten wel invloed te hebben en daarom focust hij zich daarop.

Bij Mats wordt in elke sessie het thema van zijn zieke vader meegenomen. De ene sessie wordt er veel aandacht aan besteed en in een andere sessie ligt de nadruk meer op Mats’ omgang met klasgenoten en met zijn frustratietolerantie in het algemeen. Het verwerken wordt dan in de onderstroom van zijn onderbewustzijn meegenomen. Dat zal Mats straks helpen als zijn vader komt te overlijden.

Sabine, 19 jaar
Sabines eerste sessie is een jaar nadat haar moeder aan borstkanker is overleden. Het concentreren op school gaat lastiger en ze geeft aan veel verdriet te hebben. Ze begrijpt niet dat, ondanks dat ze een jaar verder is, het verdriet de laatste tijd sterk is toegenomen. Ze zou willen dat ze haar verdriet op school ‘uit’ kon zetten. In het eerste jaar na het overlijden van haar moeder is Sabine niet gekomen tot het goed verwerken van haar verdriet. Ze heeft dit verdrongen totdat dit vanuit haar onderbewustzijn in alle hevigheid weer omhoog is gekomen en het haar niet meer lukte om het op school te onderdrukken.

Ik leer haar een manier om het verdriet te voelen zonder de te grote drang dat weg te willen hebben. Ze zwelgt in haar verdriet en die drang vergroot het drama. Ik vraag haar welke herinnering aan haar moeder vooraan ligt. Ze vertelt dat ze steeds opnieuw moet denken aan het moment dat ze in het ziekenhuis te horen kreeg dat haar moeder niet meer beter zou worden. Er komen tranen. Bij thuiskomst op haar kamer wilde ze zich met haar verdriet heel diep onder de dekens weg stoppen. Het gevoel van de schok die die mededeling toen veroorzaakte komt in de sessie omhoog. De hevigheid van het terugkerende verdriet maakt duidelijk dat ze het toen niet goed heeft verwerkt. Gaandeweg de sessie voelt en beschrijft ze op evenwichtige wijze het weggestopte leed en creëert zo de juiste afstand om het nu wel goed te verwerken. Wat sessies later vertelt Sabine dat ze op school niet meer overvallen is door plotselinge huilbuien.

Je kunt verdriet succesvol verdringen zoals Mats of erin zwelgen zoals Sabine. Beide manieren zijn niet wenselijk voor een evenwichtige ontwikkeling. Belangrijk is om verdriet goed te verwerken. Er zijn altijd mensen in je buurt die met een vergelijkbaar verlies te maken hebben gehad, je kunt leren van hun gezichtsuitdrukking, houding en manier van praten over het verdriet.

*) Vanwege de waarborg van privacy is gekozen voor fictieve namen.

Piekerpiek

Bij mij op tafel ligt een tekening. Je ziet een afbeelding van een jongen met een enorm groot rood gekleurd hoofd en eronder een klein lijfje met pieterpeuterige armen en benen, zonder voeten, waar geen kleurpotlood aan te pas is gekomen. Alsof zijn lijf niet meetelt! Het is een tekening van Roef (8 jaar). De tekening heeft weinig uitleg nodig over hoe hij zich ervaart. Hij is door zijn ouders aangemeld voor therapie vanwege zijn angsten en extreem gepieker. Doordat hij zo in zijn hoofd ‘zit’ ervaart hij amper nog dat hij ook nog een lijf heeft. Hij heeft moeite met doorademen.

Ook slaapt hij slecht vanwege het vele gepieker en ziet op tegen de dagelijkse activiteiten waarvan hij heeft ervaren er moeite mee te hebben. Grappig is te weten dat bij volwassenen het hoofd relatief klein is in verhouding tot het lichaam, om precies te zijn 1 : 8. Ook al is bij jonge kinderen het hoofd groot in verhouding tot het lichaam (bij baby’s is deze verhouding 1 : 4 , bij peuters 1 : 5 en bij kleuters 1 : 6) dan nog heeft de rest van het lichaam een veel groter aandeel. Wij mensen zijn ons hoofd (ons denken) zo’n waarde gaan toekennen, dat we met momenten vergeten dat we meer zijn dan onze kopzorgen alleen.

Belangrijk is om verschil te maken tussen denken en piekeren. Veel denken hoeft geen probleem te zijn als je denken en goed waarnemen leiden tot het vinden van een oplossing of het nemen van goede actie. Veel piekeren daarentegen is het onafgebroken repeteren van dezelfde, vaak verkeerde gedachten zonder dat er een eind aan komt. Doordat je verkeerd waarneemt blijf je maar zoeken en kom je niet verder. Je vindt de oplossing voor je probleem niet omdat je niet goed waarneemt. De oorzaak hiervan is bij iedereen anders. Er kan onjuist aangeleerd geweten aan ten grondslag liggen waardoor je bepaalde kanten niet op durft te denken of er kan sprake zijn van een psychische stoornis. Het onafgebroken zoeken geeft je spanningen en werkt uitputtend. Je kwelt jezelf ermee. Zonder dat je het een halt toe kunt roepen.

Ook Roef werd gekweld door zijn gepieker. Hij werd er zich bewust van dat hij zich ook op andere plekken in zijn lichaam naar kon voelen door het gepieker. Zijn maag deed pijn, hij begon te zweten en werd duizelig. Roef kwam met het woord ‘piekerpiek’. Hij vertelde me dat hij op momenten van zo’n piek, zulke grote zorgen had dat hij van angst bijna kon overgeven of flauwvallen. De controle op deze manier over zijn lichaam kwijtraken maakte hem radeloos. Om Roef goed te kunnen helpen was het nodig om zijn manier van waarnemen duidelijk te krijgen. Daarom liet ik hem gedetailleerd beschrijven hoe hij de gebeurtenissen waarover hij piekerde waarnam.

Ik maakte hem duidelijk waar hij hier oorzaak en gevolg niet helder zag. Dat hielp hem om tot de ontdekking te komen dat zijn geweten dat hem was aangeleerd op school en thuis, hem in de weg stond om tot oplossingen te durven komen die bij hem pasten. Zo was het gebruikelijk dat alle mannen in de familie van Roef met hart en ziel opgingen in het voetballen. Ze waren allemaal lid of werkzaam in de lokale club en sommigen zelfs in het bestuur. Roef voelde niks voor voetballen maar kon het niet aan om wat anders te durven denken. Hij voelde zich schuldig om wat anders te willen dan wat gebruikelijk is in de familie. Al die tijd had hij lichamelijke klachten gebruikt om niet op voetbal te hoeven gaan. Gaandeweg de therapie durfde hij zijn vader dit te vertellen en bleek dat deze helemaal geen punt maakte van Roefs weerzin tegen voetbal. Samen zouden ze zoeken naar een passende sport.

Het inzicht dat zijn aanname met betrekking tot het voetballen niet correct was, werkte als een regelrechte ‘eyeopener’. Roef kon hierdoor niet alleen zijn ‘voetbalgepieker’ achter zich laten, maar durfde ook andere piekerproblemen met een nieuwe kijk te benaderen.

*Vanwege de waarborg van privacy van cliënten is gekozen voor een fictieve naam.

Spoken

Jay (5 jaar), Moos (12 jaar) en Becca (17 jaar) hebben allen hetzelfde probleem. Ze spoken als andere kinderen slapen. Waarom ze spoken, is voor alle drie anders. Ze kennen elkaar ook niet. Ze weten wel van mij dat er meer kinderen zijn die slaapproblemen hebben en dat geeft troost.

Jay, 5 jaar
Jay is een leuke stevige kleuter die je goedlachs tegemoet treedt. Hij is de hele dag druk in de weer. Maar rond vijf uur, zijn de wangen rood en ligt hij onderuitgezakt op de bank. Het is op, moeder kan hem dan niet meer wakker houden en Jay dut in. Het gevolg is dat hij s’avonds niet naar bed wil. Moeder vertelt dat hij sinds de echtscheiding afgelopen zomer afwisselend bij vader en moeder in huis slaapt. Vanwege het afgesproken co-ouderschap zijn dit vaste dagen voor Jay, maar de bedrituelen zijn verschillend. Hij is hierdoor van zijn ‘slaappadje’ afgeraakt.

Moeder geeft toe dat ze hem regelmatig bij haar in bed in slaap laat vallen omdat hij er dan niet steeds uitkomt. Vader doet dit niet, en dat is voor Jay moeilijk te snappen. In een gescheiden situatie kun je niet eisen dat beide ouders dezelfde aanpak hanteren. Wat wel kan is, dat Jay verteld wordt welke regels waar gelden en dat deze ook zo uitgevoerd worden. Dus moeder spreekt af dat Jay om zeven uur naar boven gaat, hem een verhaaltje vertelt en er nog vijf minuten bij ligt. Dit spreekt ze overdag met hem af als het slapen nog niet aan de orde is. Als het bedtijd is en Jay er meerdere keren uit komt, kan moeder hem wijzen op de afspraak en komt het aan op het steeds rustig terugleggen. Jay moet voelen dat zij de koers uitzet voor hem en koersvast is. Dat geeft duidelijkheid en veiligheid.

Moos, 12 jaar
Met Moos is het anders. Hij is fit genoeg om voldoende te presteren op school, zijn huiswerk te maken en te sporten. Alles wat hij overdag meemaakt, verwerkt hij s’avonds in bed, dan begint het piekeren. Hij probeert zijn ouders zo lang mogelijk aan de praat te houden aan de rand van zijn bed. Hij wil de dag dan nog met hen doornemen. Eenmaal alleen gaat hij meerdere keren uit bed om alles goed te doen: de gordijnen in de plooi en de deur op de juiste kier. Hij krijgt een gevoel in zijn lichaam dat hij niet prettig vindt en zijn gedachten gaan alle kanten uit. Als zijn ouders naar bed gaan slaapt hij vaak nog niet, en maakt hij zich steeds drukker om mogelijk slaapgebrek. Gelukkig is hij overdag nooit moe.

Die ontdekking zorgt ervoor dat Moos zich minder druk maakt om zijn inslaapprobleem. Hij kijkt daardoor anders naar hetzelfde ‘probleem’. Hij stuurt zijn gedachten nu zo, dat rust hem ook al goed doet. Als hij dan in het donker de spanningen in zijn lichaam voelt, zoekt hij die op in de plaats van ze weg te willen hebben. Hierdoor vermindert de spanning. Zijn ouders nemen tijdens het avondeten de dag al met hem door, zelfs als Moos door alle afleiding om hem heen denkt dat het op dat moment nog niet nodig is. Later op de avond blijkt hem dit rust te geven.

Becca, 17 jaar
Becca is angstig vanwege het gevoel dat er steeds ‘iets’ in haar slaapkamer aanwezig is. Ze zegt een heel gevoelig meisje te zijn. Ze pikt sferen op van anderen en hoe zij zich voelen. Als ik doorvraag, vertelt ze dat zij met haar vriendinnen naar horrorfilms kijkt en in de virtuele wereld ‘Second Life’ speelt met griezelige personages. Becca wil zich niet laten kennen in haar vriendengroep, maar ondertussen is ze doodmoe. De angsten die ze s’nachts uitstaat wegen volgens haar niet op tegen het bekennen aan de groep.

Haar hulpvraag is, haar te helpen van haar angst af te komen door het echte en het virtuele leven beter van elkaar te scheiden. Gelukkig komt ze er gaandeweg de therapie achter dat haar hersenen deze scheiding niet zo makkelijk maken. Deze acceptatie helpt haar om naar haar vriendinnen toe andere keuzes te maken. Door de toegenomen zelfkennis heeft ze minder moeite hen te vertellen over haar gevoelige kant. Ze voelt zich nu veiliger in zichzelf en daardoor ook in haar domein: haar slaapkamer!

Kleine kinderen en jongeren kunnen periodes in hun leven hebben dat ze s’nachts flink aan het ‘spoken’ zijn. Ouders en kinderen kunnen zich hier behoorlijk druk om maken. Het onmachtige gevoel maakt dat je in een oud patroon vast blijft zitten en niet bij een oplossing kunt komen. Gelukkig is er altijd oplossing op maat, passend bij het gespook!

*) Om de privacy van de cliënten te waarborgen is gekozen voor een fictieve namen.

Groeien ten koste van de ander

Er komen vaak kinderen in mijn praktijk die gepest worden. Zij en hun ouders willen tips hoe ze met pesters om kunnen gaan, zelf sterker kunnen worden of op een positievere manier kunnen kijken naar hun aanwezigheid in de klas. De waarneming is altijd gekleurd door eerdere ervaringen en hierdoor kan het kind denken dat het altijd gepest wordt en de ander niet.
De pesters daarentegen komen zelden met een hulpvraag. Waarom zouden ze ook, iets in hen ervaart plezier of macht als ze de ander kleineren. Ze zoeken daarbij vaak de steun van de groep om hun macht kracht bij te zetten.

Een pester is als een roofdier op zoek naar een prooi om die te verschalken.
Onbewust zijn het opportunisten. Ze doen iets waar ze instinctief gewin bij hebben zonder dat ze de gevolgen overzien. Ze leren zichzelf een gedrag aan wat hen vroeg of laat problemen oplevert. Op het moment dat ze iemand tegen komen die groter of sterker is dan zij zijn de rollen ineens omgedraaid. Zonder dat ze het aan hebben zien komen liggen ze er uit. De vermeende onaantastbaarheid blijkt een illusie. De onaangename persoonlijkheid is inmiddels vast verankert, karakter geworden, door al het pestgedrag.

Doordat de pester deze rol zo lang heeft aangenomen is het moeilijk bij te sturen. Het kind kan in een zwaar innerlijk conflict komen omdat datgene wat er ineens in zijn werkelijkheid opdoemt niet strookt met het beeld dat het tot dat moment had. Stel het kind was de hele lagere schooltijd de pester in de klas en werd hierin gedragen door een groep aanhangers. Eenmaal op de middelbare school zijn de kaarten opnieuw geschud omdat er nieuwe spelers op het veld zijn, met de kans op nog grotere roofdieren. Hierdoor kan de pester zijn spel mogelijk niet voortzetten.

Hoe komen kinderen tot pestgedrag? Pesters hebben zelf niet door dat ze vol zitten met verdrongen trauma’s. Onbewust willen ze niet dat de ander te dichtbij komt en om de aandacht af te leiden van de kwetsbaarheid ontwikkelen ze pestgedrag.
Het onderliggende minderwaardigheidscomplex kunnen ze niet aan en dat klapt dan om naar pest gedrag. Door de ander te kleineren ervaren ze dat ze zelf krachtiger worden.

Om een pester bewust te krijgen van zijn gedrag en hem hierin ook nog te willen veranderen, zie je op scholen vaak dat dit gedrag in de groep door een deskundige leerkracht wordt besproken en begeleidt. Soms zie je dat het gepeste kind en zijn ouders door de ouders van de pesters verantwoordelijk worden gemaakt voor de ontstane situatie. Zij vinden dat het gepeste kind weerbaarder gemaakt moet worden. Zo zou de pester geen kans krijgen. Hierbij wordt te makkelijk voorbij gegaan aan de rol van de pester. Als ouders het niet  schuwen hierin te duiken, kunnen ze hun kind bijsturen en de boodschap meegeven dat het belangrijk is samen met een ander te groeien in de plaats van ten kosten van de ander.

Wellicht dat je als ouder zelf nog wel iemand kunt herinneren die vroeger in de klas altijd gepest werd. Misschien deed je er zelf aan mee en wist je niet hoe je er niet aan mee moest doen. Met het verstrijken van de jaren kun je daar nu wroeging over hebben. Een dergelijk schuldgevoel kun je voorkomen bij je kind door tijdig in te grijpen.

 

Hooggevoelig

Bestaan er kinderen die gevoeliger zijn dan andere kinderen? En zo ja, hoe weet je dat dan? Vaak ervaren hooggevoelige kinderen van kleins af aan al dat ze ‘anders zijn’, maar weten vaak niet goed waarin. Ze nemen de stemmingen van zichzelf en anderen in de klas sterk waar, ze kunnen zich in een drukke omgeving snel afgeleid, geïrriteerd, vermoeid of ongeconcentreerd voelen. Ze hebben een rijke, innerlijke belevingswereld en vragen zich met betrekking tot het leven en de waarheid meer af. Hierdoor kunnen ze zich soms moeilijk staande houden in overvolle klassen, de voor- en naschoolse activiteiten, de digitale levensstijl van ‘sms en chat’ en alles wat hoort bij het meedoen aan de eisen van de huidige tijd.

Je kunt je als hooggevoelig kind niet isoleren. Het is realistischer om deze kinderen te helpen zichzelf goed te leren kennen en te beschermen op een manier die in het gewone leven past. Echter, als hooggevoelig kind heb je het doorgaans lastiger, je neemt nu eenmaal meer waar en hebt meer te verwerken. Om hooggevoelige kinderen te kunnen helpen in het gewone leven mee te doen, is het handig om eerst te begrijpen waarin de werking van hun hersenen verschilt van minder gevoelige kinderen. Bij hooggevoelige kinderen is het natuurlijke vermogen om zaken uit het onder- en onbewuste een doorslaggevende rol te laten spelen in de dagelijkse informatieverwerking beter ontwikkeld. Kort gezegd: ze doen minder op basis van ‘weten’ en meer op ‘voelen’. En nemen in dit voelen alles mee. Naast deze complexere informatieverwerking hebben deze kinderen vaak snellere reflexen, ondervinden ze meer invloed van pijn, medicijnen en opwekkende middelen en hebben ze vaker last van een overactief immuunsysteem en allergieën. In zekere zin is hun hele lichaam ontworpen om nauwkeuriger te kunnen waarnemen en evalueren wat er binnenkomt. Dat klinkt mooi als het kind op een juiste manier met zijn hooggevoeligheid om kan gaan.

De werking van de hersenen is associatief. Als deze kinderen meer waarnemen en meer te verwerken hebben, lopen ze de kans meer te associëren. Een voorbeeld. Een hooggevoelig meisje kan van binnen iets heel zeker weten. Bijvoorbeeld hoe zij een spreekbeurt gaat aanpakken.
Vervolgens bespreekt ze dit met haar ouders. Die komen met goedbedoelde argumenten om wat te veranderen. Gevoelsmatig kloppen die niet met wat het kind wilde. Er start in haar een innerlijke dialoog op waarin haar hele idee wankelt. Dat komt omdat ze (onbewust) alles betrekt in haar keuzes. Niet alleen de feitelijke weetjes voor de spreekbeurt, nee, ook de gevoelens van haar ouders en de mogelijke gedachten die haar ouders over haar hebben. Het associëren komt in volle gang. Dat betekent niet dat ze het bij alles aan het juiste eind heeft. Hoe meer er te associëren valt, hoe meer fouten er gemaakt kunnen worden in het juist waarnemen en interpreteren. Daarom kan dit meisje ogenschijnlijk niet snel genoeg mee komen. Terwijl anderen alweer verder gaan, is zij nog bezig alle informatie te verwerken. Zo wordt ze door de situatie afgezonderd. Dit kan ten koste gaan van haar evenwichtigheid.

Kinderen zoals dit hooggevoelige meisje kunnen door de overprikkeling van alle indrukken danig uit balans raken, zodat ze hevige fysieke of emotionele stress ervaren. Daardoor blijven ze in de emotionaliteit van het moment hangen. De ouder of leerkracht dient hier een rustpunt te zijn. Als het kind kan ervaren dat zijn belangrijkste opvoeders niet onzeker zijn, is dat voor dit kind een hoopvol teken en kan het kind al pratende de spanning bij de opvoeders weg laten vloeien als onderdeel van het verwerkingsproces. De ouder fungeert dan als een projectiescherm of klankkast waartegen het kind zijn problemen verwoord ziet. Doordat het kind de tijd krijgt om te vertellen, kan het voelenderwijs tot een evenwichter beeld komen.

Altijd ziek

Elk kind heeft wel eens een griepje of iets onder de leden waardoor het tijdelijk niet mee kan komen. Na een weekje op de bank, wat extra aandacht van moeder kan het gewone leven weer opgepakt worden. In mijn praktijk spreek ik ook kinderen die chronisch ziek zijn. Zij hebben de klus om te leren omgaan met hun voor anderen zichtbare en soms onzichtbare ziekte en de beperkingen die dat met zich meebrengt.

Chantal (16) is een meisje met een leverziekte. Zij werd twee jaar geleden plotseling geconfronteerd met symptomen van een slecht werkende lever. Omdat de artsen de symptomen konden duiden, kreeg ze op tijd de juiste medicatie om te overleven. Maandenlang moest ze samen met haar ouders in de buurt van het ziekenhuis blijven. Toen de situatie stabiel was mocht ze naar huis. Van de artsen kreeg ze het advies haar gewone leventje weer rustig op te bouwen. Chantal en haar ouders vroegen begeleiding van mij omdat ze hierin allerlei onzekerheden en angsten tegenkwamen.

In de klas van Chantal was veel begrip voor haar situatie. Echter, in een middelbare school met meer dan duizend leerlingen is niet iedereen op de hoogte. Zo gebeurt het dat Chantal bij haar locker stond en omvergeduwd werd door ruziënde jongens. Ze kwam ongelukkig terecht en had pijn in haar levergebied. Hierdoor werd ze angstiger in het zich vrijelijk bewegen in het schoolgebouw. De geestelijke klap niet mee te kunnen met leeftijdsgenoten gaf Chantal gevoelens van minderwaardigheid. Ik ben met haar haar leven voor en na de leverproblemen in kaart gaan brengen. Wat is er niet meer en wat is er nog steeds wel? Het praten hierover hielp haar. Ook omdat ik er geen lading op had zien, zoals haar ouders. Bij hen had ze te maken met schuldgevoelens als ze haar verdriet liet zien. Beetje bij beetje kon ze zich weer thuis gaan voelen in haar lichaam. Omdat ze beter accepteerde wat er van binnen aan de hand was, kon ze signalen van haar lichaam gebruiken om bij te sturen. Daardoor kon ze soms besluiten wat langer deel te nemen aan een acviteit en soms een stapje terug te doen.

Pim (11) maakt zich andere zorgen. Hij heeft zijn hele leven al een botziekte waardoor hij steeds opnieuw geopereerd moet worden. Hij weet dat de puberteit een snellere groei van zijn lichaam en dus ook van zijn botten betekent en is bang voor de pijn. Op zijn armen zijn zichtbaar litekens te zien. Hij is verdrietig omdat mensen naar zijn armen staren. Hij is bang dat ze hem een monster vinden. Daarom draagt hij kleding met lange mouwen. Pim is opvallend wijs in zijn bewoordingen. Hij heeft veel meegemaakt en kan er gelukkig goed over praten. Met hem gebruik ik fotokaarten om een beeld te krijgen van zijn angsten. Bij de keuze van afbeeldingen die staan voor het gevoel dat hem verder brengt, kiest hij de zee met een duiker erin en een berg met wandelaars erop. Zijn uitleg: de zee en de berg laten beide bezoekers toe en blijven onverstoorbaar. Dat beeld is voor hem ijzersterk.

Elk opgroeiend kind ontwikkelt eigenheid. Kinderen met een chronische ziekte kunnen hier extra moeite mee hebben doordat ze zich een gedrag eigen hebben gemaakt dat anderen van hen verwachten: de dokter, hun ouders of hun leeftijdsgenoten zonder ziekte. Als ze deze last kwijtraken, wordt hun leven dragelijker en leuker.

*) Om de privacy van de cliënt te waarborgen is gekozen voor fictieve namen.

Uit de bres springen

Nora (18) heeft het moeilijk. Haar ouders zijn kort geleden gescheiden en Nora woont bij moeder. Haar vader heeft ze al zes weken niet gezien. Ze is zenuwachtig over het contact met hem. Er zit zoveel lading op. Haar moeder is klaar met vader. Haar jongere zusje, die bij beide ouders woont, vraagt Nora regelmatig om hulp omdat ze bij vader zelf de dingen niet voor elkaar krijgt.

Nora heeft last van hyperventilatie. Ze geeft aan uitgeput te zijn van de strijd die er in haar woedt. Het zit haar niet lekker dat ze weinig contact heeft met haar vader. Tegelijkertijd is ze het ook niet eens met de manier waarop vader conflicten aangaat met haar jongere zusje (Mickie) en moeder. Tussen haar en haar zusje zit acht jaar leeftijdsverschil en de verleiding is groot om steeds ‘in de bres te springen’ voor haar zusje. Ze vraagt mijn hulp om dit gedrag bij haar te keren. In de therapie komt ze erachter dat ze ook in situaties met vriendinnen steeds voor de ander van alles wil oplossen. Als hetgeen ze probeert op te
lossen niet lukt, voelt ze zich schuldig. Zo ging een vriendin ervan uit dat Nora na een feestje altijd met haar mee naar huis zou fietsen. Nu Nora een vriend heeft wil ze ook wel eens bij hem blijven slapen. Haar vriendin is boos op haar dat ze niet mee wil fietsen en dreigt dan maar niet naar het feestje te gaan. Zo probeert ze in te werken op het te grote verantwoordelijksgevoel van Nora. Ze weet dat Nora er slecht tegen kan als een ander pijn of verdriet heeft
of het gevoel heeft dat dit door haar veroorzaakt wordt.

Haar zusje spaart de lastige onderwerpen die ze met vader heeft op tot Nora erbij is. Ze weet dat haar grote zus het voor haar opneemt, zeker als ze begint te huilen. Als Nora vader spreekt begint ze meteen haar ongenoegen uit te spreken over wat er tussen hem en Mickie mogelijk is voorgevallen. Ze zegt dat vader normaal met Mickie moet omgaan, anders wil Nora niet meer bij hem zijn. Mickie beaamt het door Nora verwoorde ongenoegen. Vader is geen prater en zegt weinig terug. Nora: “De sfeer is meteen verziekt, terwijl ik persoonlijk geen ruzie met hem heb.” Als ik haar help de situatie breder te bekijken, lucht dit haar zichtbaar op. Haar bereidheid om te stoppen alles voor de ander op te lossen wordt legitiemer, als ze inziet dat ze hiermee de ander ook iets ontneemt. Eerder vond ze zichzelf egoïstisch.

Haar zusje of vriendinnen hebben ook te leren voor zichzelf op te komen. Als Nora het voor de ander op blijft lossen, leert die ander dit niet. Ze mag ze een tijdje helpen en het voordoen en hen raad geven, maar kan niet de rest van hun leven hun schild zijn. Nora komt er de weken daarna achter dat anderen niet zomaar akkoord gaan met haar nieuwe manier van reageren. Ze proberen Nora met hun (onbewuste) strategieën te manipuleren toch weer overstag te gaan.
Doordat Nora dit met mij kan bespreken, voelt ze zich steviger om nu voet bij stuk te houden.

*) Om de privacy van de cliënt te waarborgen is gekozen voor een fictieve
naam.

Scheidingsangst

Roos (6 jaar) is zo op het eerste gezicht een goedlachs ondernemend meisje. Ze kijkt je uitdagend aan en onderzoekt of ze een grapje uit kan halen. Bij nadere kennismaking blijkt dat Roos last heeft van aanhoudende scheidingsangst, op school en bij het afspreken met vriendinnen. Dit geeft een druk op het gezin.

Ouders beschrijven Roos als een gevoelig meisje dat veel van haar omgeving in zich opneemt. Ze heeft moeite om nieuwe ervaringen te verwerken. Ze kijkt altijd heel goed rond, hoort ‘alles’, neemt het in zich op en later komt het er thuis in de vertrouwde omgeving weer uit. Dit gebeurt veelal op een heftige, emotionele manier. De ene keer krijgt het vorm in schokkerig, onbedaarbaar huilen en de andere keer in een driftig, druk gedrag waarbij ze van alles af wil dwingen bij haar ouders.

Moeder geeft aan dat ze geneigd is om alle keuzes uitgebreid uit te leggen aan Roos. Ze vraagt zich af of ze haar eigen onzekerheid misschien op haar dochter overbrengt door alles te bespreken en Roos een stem te geven in de keuzes. Ze is enigst kind en daardoor praat ze thuis vaak mee met de volwassenen. Ondanks haar slimme manier van reageren, moet niet vergeten worden dat Roos alles verwerkt vanuit waar ze is in haar sociaal emotionele ontwikkeling.

Roos vertelt mij dat ze het niet fijn vindt dat ze bij elk afscheid moet huilen en buikpijn heeft. Ze geeft aan dat er een brok in haar keel komt die ze niet kan tegenhouden. Ik vraag haar of ze wil onderzoeken wat er in haar keel gebeurd. Ik teken haar huis, school, naschoolseopvang, huizen van vriendinnen, het speelveldje en het zwembad. Dan vraag ik haar op te letten waar de brok in haar keel groter wordt. Dat weet ze haarfijn te vertellen. Bij de naschoolseopvang en op school is het het ergst. Thuis heeft ze geen last en bij vriendinnen niet als haar moeder erbij is. In een volgende sessie zoeken we dit verder uit. Dan komt ze er achter dat haar klachten toenemen als ze ergens net is. Eenmaal langer daar wordt het leuker. Ook is het lastiger als een situatie verandert, zoals andere groepjes in de klas of een nieuwe juf bij de naschoolseopvang. We verzinnen een stoplicht. Rood is dat het heel moeilijk is om ergens te zijn zonder haar ouders, oranje is een beetje en groen is makkelijk. Daarmee gaat ze oefenen.

De eerste weken is er nog sprake van paniek bij het afscheid nemen. Dan hoor ik van de juf dat de tranen sneller over zijn. Ook moeder vertelt dat Roos niet meer over buikpijn klaagt en de brok in haar keel minder dominant is.

In kleine stapjes coach ik haar ouders naar stevige leiding en begeleiding en Roos naar minder angst voor scheiding van haar ouders. Ouders tonen een kind onzekerheid als ze het kind alles vragen en alle keuzes voorleggen.

Als Roos merkt dat haar ouders zich zeker voelen en tonen dat ze het kan, durft zij er zelf ook in te geloven. In de therapie bespreken we de succesmomentjes.

Roos weet nu van zichzelf dat ze moeite heeft met nieuwe dingen. Als ze doorzet, zo heeft ze ervaren kan ze het heel leuk hebben.

*) Vanwege de waarborg van privacy van cliënten is gekozen voor een fictieve naam.