Uitlokken

 

‘Is mijn dochter te goed gebekt?’ Vraagt de moeder van Manon van 11 jaar. Manon wil niet graag dat een ander het laatste woord heeft en komt daardoor zowel op school als thuis regelmatig in de problemen. Zelf vindt ze dat ze een prooi is van pesters waar de leerkracht te weinig aan doet. Ze wil daardoor niet graag meer naar school. Volgens moeder zit ze regelmatig met zichzelf in de knoop. Ze kan moeilijk onderscheid maken of dingen om haar heen expres of per ongeluk gebeuren en heeft het idee dat iedereen het op haar gemunt heeft.

Manon is een brildragend meisje met lang haar. Volgens moeder is ze begonnen met puberen en een van de grotere meisjes van de klas. Manon valt door haar uiterlijk op. Zelf heeft ze het idee dat haar klasgenoten haar met alles in de gaten houden. Hoe ze praat, hoe ze kijkt en hoe ze lacht. Ze voelt zich erg onzeker. Als kinderen iets tegen haar zeggen kan ze het niet naast zich neerleggen, maar moet ze terugreageren. Ze doet dat op een uitdagende manier en dat geeft steeds nieuwe reacties van de ander. Hierdoor blijft ze een aantrekkelijke prooi voor pesters.

Vorig schooljaar is het pesten zo uit de hand gelopen dat tijdens een pauze de bril van haar neus werd geslagen. Er is daarna in haar klas flink aandacht besteed aan het incident. In Manon’s beleving heeft dit niet veel veranderd aan de situatie. Ze kan de triomfantelijke blik van de pester maar niet vergeten en is nog steeds boos. Als ze nu in de pauze buiten is wordt er aan haar getrokken en geduwd. ‘Ik sla er zelf ook op als dat nodig is’. Ze heeft hierdoor al een paar keer na moeten blijven.

Moeder gaf aan in het begin van het schooljaar regelmatig op school te zijn geweest om voor haar dochter op te komen. Manon kwam zo vaak thuis met nare verhalen over school en zinnen als: ‘ze willen me het ziekenhuis in slaan’ dat ze het gevoel kreeg dat de leerkrachten niet goed optraden. Moeder werd op school steeds serieus te woord gestaan. De betrokken leerkrachten gaven aan dat ze de pestincidenten met de klas bespraken die hen ter oor kwamen maar dat er veel stiekem gebeurde. Wat moeder moeilijk vond om te horen, was dat Manon volgens de leerkrachten zelf aan het uitlokken was. Nadat ze hier op school boos over was geworden vanuit een natuurlijk instinct om voor haar dochter op te komen kwam ze thuis bij zinnen. Manon moest zelf ook naar haar eigen aandeel leren kijken. Vanaf dat moment kregen moeder en Manon thuis steeds meer onderlinge aanvaringen. Moeder had besloten een andere koers te gaan varen en Manon was het daar niet mee eens.

Manon blijkt in de therapie gelukkig gevoelig voor humor en zelfreflectie. Ze begint met het afsteken van standaard riedeltje waarin ze ogenschijnlijk gevoelloos opsomt dat ze altijd lelijk is, iedereen haar haat en ze niks kan. Woorden als ‘altijd’ en ‘niks’ en ‘iedereen’ bieden een mooie kans om te vragen of echt iedereen dat vindt of dat er toch iemand is die haar een beetje leuk vindt? Lachend geeft ze toe dat ze wel een paar vaste vriendinnen heeft die graag met haar omgaan. De vraag rijst: Als ze niet zo’n juist beeld heeft van zichzelf, heeft ze dan wel een juist beeld van ‘gepest worden’? En nog een stapje verder wat haar eigen inbreng voor invloed op het pesten kan hebben?

Ik praat met haar over slimme manieren om te communiceren met pesters. Ze ontdekt dat haar impulsieve karakter en ‘goed gebektheid’ haar nekken. Het is niet zo handig om fel terug te reageren. Elke actie kan weer een nieuwe reactie van de pesters geven. Ik laat haar wisselen van positie. Op de ene positie mag ze ‘dissen’, haar woord voor terugreageren. En op de andere positie oefent ze met het rustig aankijken van de pester en vervolgens weglopen. Manon ervaart dat ze door dit soort oefeningen inzicht krijgt in haar gedrag en de invloed op anderen. Ze is nu niet langer het slachtoffer.

*) Om de privacy van de cliënt te waarborgen is gekozen voor een fictieve naam.

 

 

Sportiviteit

Sportiviteit wordt gebruikt in teamverband op bijvoorbeeld de voetbal-  en hockeyvelden en geldt in alle sporten. Een gebrek aan sportiviteit kan een kind in de problemen brengen op school en thuis. Het gaat om ruiterlijk je verlies nemen en weten uit te delen zonder over de grens van de ander te gaan.

 

Enkele regels van sportiviteit (Bron Wikepedia):

·       Je aan de spelregels houden, dus niet valsspelen. Ook niet als de scheidsrechter het toevallig niet ziet

·       Je niet schuldig maken aan spelbederf

·       De scheidsrechter diens autoriteit respecteren

·       De tegenstander respecteren. Soms houdt dit in diens hand te schudden of voor hem te buigen

·       Je moet tegen je verlies kunnen

·       Als de tegenstander zich onsportief gedraagt, de zelfbeheersing behouden en jezelf sportief blijven opstellen

Regelmatig komen er kinderen in mijn praktijk die sportiviteit kennen in het spel, maar dit niet in de schoolomgeving of thuis weten toe te passen. Zo ook Leon van 10 jaar. Hij heeft duidelijk in gedachte hoe zijn perfecte woensdagmiddag eruit moet zien. Gezellig met zijn beste vriend op de bank en gamen maar! Helaas wordt zijn geluk ruw verstoord als er aangebeld wordt en twee klasgenoten vragen of ze meekomen naar het schoolplein. Leon hoort zijn vriend gretig “ja” zeggen terwijl hij zelf zwijgend baalt. Hij voelt zich buitengesloten.

Op het schoolplein gaat het vervolgens steeds mis omdat Leon weigert mee te doen met de voorstellen van anderen. Hij vindt dat ze zijn zin moeten doen. Zijn hulpvraag is dan ook dat zij moeten veranderen. Maar aangezien zij niet bij mij komen, kan ik hierin voor hem niets doen. Aanvankelijk wil dat er bij hem en zijn moeder niet in.

In een oudergesprek begint moeder in te zien dat zij Leon niet voldoende zelfredzaam heeft gemaakt door hem te verwennen en lastige dingen voor hem op te knappen. Ze probeerde zelfs zijn vriend ervan te overtuigen dat een middag alleen met haar zoon leuker was. Doordat zijn moeder hem vaak zijn zin geeft, is Leon dit ook gaan verwachten in de buitenwereld. Vervolgens valt dit tegen en kan hij er niet flexibel mee om gaan en wordt hij boos. Hulp van moeder is dan ook nodig. Leon moet eerst in de thuissituatie ervaren dat er ander gedrag nodig is. Hier is het immers ook aangeleerd en dat voelde veilig voor hem. Als hij zich nu in deze veilige setting laat corrigeren, waardoor zijn verwachtingspatroon een betere vorm gaat krijgen, dan laat hij zich door de buitenwereld ook makkelijker corrigeren. In dit geval door zijn klasgenoten.

Sportiviteit wil in mijn ogen zeggen dat je in staat bent om te incasseren en zelf indien nodig uit te delen zonder over de grens van de ander te gaan. Hierbij gaat het om een open en flexibele houding. Als je vanuit de thuissituatie de juiste spanning mist omdat je weinig zelf hoeft op te knappen ben je te zwak om op eigen benen te staan. Je kunt de klap dan niet opvangen als hetgeen je verwacht niet uitkomt. Als reactie hierop vindt er vaak een soort ‘overspanning’ plaats waardoor je kwaad wordt, overschreeuwt, overspannen reageert of jezelf terugtrekt in een hoekje. Het gemis aan de juiste spanning maakt dat je niet helder waarneemt en reageren kunt. Je sluit in je waarneming niet aan bij je omgeving. Door deze spanning eerst thuis te herstellen, kan dit vervolgens ook elders toegepast worden en neemt de sportiviteit toe.

*) Om de privacy van de cliënt te waarborgen is gekozen voor een fictieve naam.

Uitleven

Sjors (10) houdt ervan zich uit te leven. Hij kan echter last hebben van uitbarstingen. Wat er dan in hem leeft aan irritatie of onrust leeft hij op een ander uit.

Bij aanmelding geven ouders aan dat Sjors een lieve en zorgzame jongen is die echter moeite heeft met zijn emotieregulatie. Hij kan agressief gedrag vertonen. Als hij boos is, krijgt hij een waas en is niet meer in staat ‘logisch’ te redeneren. Daarna heeft hij moeite te vertellen wat de aanleiding was. Hij liegt, legt de oorzaak buiten zichzelf en richt zich op de rol van de ander. Vervolgens heeft hij last van onzekerheid en doet uitspraken die wijzen op een laag zelfbeeld, zoals: ‘ik ben toch maar een rotkind’. Zijn ouders schrikken hiervan. Ze benadrukken het lieve in hem en zijn erg begripvol.

Elke keer dat Sjors zich impulsief gedraagt, eindigt het in narigheid. Zo moest hij bij de voetbaltraining per se nog een keer tegen de bal trappen terwijl de trainer iedereen gewaarschuwd had ermee op te houden. Hij wordt van het veld gestuurd en vindt het super oneerlijk. Hij is in paniek en wil van voetbal af. Zijn vader troost hem en belooft met de trainer te praten.

Thuis vindt Sjors dat hij in de kamer van zijn zus mag spelen. Zij probeert hem eruit te duwen. Omdat het haar niet lukt, geeft ze hem een tik. Hij geeft een harde tik terug en scheurt een poster van haar deur. Zij gilt en roept haar moeder om hulp. Moeder zegt hem sorry te zeggen. Hij doet dat niet, want in zijn ogen is hij niet begonnen.

Ook vertelde zijn moeder dat hij op school moest samenwerken aan een knutselopdracht. Hij pakte een gum van school en tekende er een Pokémon op. Een klasgenoot zei er wat van en werd vervolgens door Sjors met zijn hoofd op de tafel gedrukt. Deze sloeg hem in zijn gezicht. Als reactie beet Sjors in zijn onderarm. Waarop beide jongens straf kregen. Zeer oneerlijk volgens Sjors, want die jongen had zich gewoon niet met die gum moeten bemoeien. Zijn moeder vertelt dit verhaal met een onzekere lach.

Moeder laat hier haar onzekerheid zien als opvoeder. Zijn ouders willen het lieve zien en lossen het op met weglachen en begrip hebben. Ze verstaan onder begrip hebben hem uit de wind houden. Hij vertelt hen over de nadelige gevolgen van zijn opvliegende gedrag en zij proberen het voor hem op te lossen door met de trainer, de juf of het vriendje te praten en ook bij hen om begrip te vragen. ‘Sjors bedoelde het zo niet, hij zag het niet aankomen of hij begreep het niet.’ Daarmee praten ze het goed en Sjors leert niks. Hij krijgt een verkeerd beeld van hoe de werkelijkheid in elkaar zit en hoe hij zich dient te gedragen in de omgang met anderen. Juist omdat hij niet juist gecorrigeerd wordt neemt het onzekere in hem de leiding en gaat hij keer op keer de fout in. Zolang zijn ouders hem niet duidelijk laten merken dat zijn gedrag niet kan en nare gevolgen heeft voor hem, bewerkstelligen zij alleen maar dat zijn onzekere, onvoorspelbare en explosieve gedrag toeneemt. Hij is zogezegd niet trefzeker in het juiste gedrag naar anderen toe. Hij raakt het niet.

Zijn ouders hebben een zelfverzekerde en liefdevolle strengheid nodig om Sjors te corrigeren. Als hij van hen leert wat de gevolgen zijn van datgene wat hij met zijn impulsieve gedrag veroorzaakt, kan hij zich leren aanpassen, meekomen en daadwerkelijk een evenwichtige en liefdevolle persoonlijkheid worden.

Daarnaast leer ik hem bewust te worden van hetgeen hij voelt in zijn lichaam en hoe hij irritatie in zichzelf kan doorleven in de plaats van uitleven op een ander. Doorleven is het bewust worden van waar het geïrriteerde gevoel in zijn lichaam een plek heeft gekregen. Sjors beschrijft dat zijn kaken op elkaar gaan, hij een oppervlakkige, gehaaste ademhaling heeft en zijn schouders verkrampen. Door hier met zijn aandacht naar toe te gaan en met een beetje humor naar te kijken, terwijl hij bewust focus brengt in zijn ademhaling, , lost de spanning op zonder dat hij zijn omgeving hiermee belast.

*) Om de privacy van de cliënt te waarborgen is gekozen voor een fictieve naam.

Vlinders

Jongeren met vlinders in hun buik. Werkt dat nog hetzelfde als vroeger of is met de komst van sociale media ook het gevoel van verliefdheid veranderd? Toen we nog geen computers hadden, geen mobieltjes en sociale media nog niet bestonden, uitten we de liefde in briefjes of krasten de naam van op wie je was in een boom. Je deelde het met je beste vriend of vriendin en dagdroomde lekker weg. Er werd wel gekletst, maar het was ondanks dat dit pijnlijk kon zijn, te overzien. Jongeren anno 2018 hebben met de komst van sociale media ook een heel andere beleving gekregen van verliefd zijn.

Vroeger ging het publiceren van verliefdheid van mond tot mond of via een briefje. En als je het al aan een papiertje toevertrouwde was het, nadat je het verscheurde, ook echt weg. Er liep vroeger niemand rond met een camera om iets vast te leggen en er was ook geen web om het op te slingeren.

Tegenwoordig lijkt het makkelijker dat je met sociale media niet de ‘oog in oog-confrontatie’ aan hoeft te gaan omdat het met één druk op de knop verzonden is. Hetgeen verspreid is, is vluchtig. Echter het medium waar gebruik van wordt gemaakt is dat niet. Gegevens kunnen jaren later nog teruggetoverd worden en het bereik is enorm.

We hebben allemaal een hang naar intimiteit en een drang tot publiceren. Het publiceren van iets wat kwetsbaar is, wordt vaak niet goed doordacht. De drang is impulsief, behoeft onmiddellijkheid.

Marit (16) is hevig verliefd, maar geeft aan dat ze soms meer spanning heeft dan blijdschap. Als ze alleen is met haar vriend ervaart ze intimiteit en liefde. Zodra hij echter uit het zicht is, vraagt ze zich af waarom hij haar apps niet direct beantwoordt of om 02.00 nachts nog online was. En ze vraagt zich af met wie. Ook ontvangt ze ongevraagd uit de vriendengroep apps of chats waarin zij haar onzeker maken met informatie dat haar vriend gezien was op de kermis met een ander.

Ook Shirley (15) is geschrokken van het wantrouwen dat sociale media in haar relatie veroorzaken. Zij zag een privéfoto van haar en hem terug in een groepsapp. Niemand wist haar te vertellen hoe die foto er gekomen was. Vooral het niet weten gaf haar een onveilig gevoel waardoor zij wakker begon te liggen en zichzelf beschreef als paranoïde. Er wordt dus over verliefdheid en de bijkomende intimiteit veel openlijker gepubliceerd. Al dan niet met toestemming van de jongere in kwestie.

Als je als jongere aan een relatie begint en je blootgeeft aan die ander, zowel letterlijk als figuurlijk, is dat al spannend genoeg. Je weet namelijk niet wat de drijfveer en verlangens van de ander zijn. Je weet niet of ze zuiver zijn. Je moet, om een relatie bestaansrecht te geven, wel intiem durven zijn, maar daarmee loop je een risico. En zoals gebleken zijn die risico’s er met de komst van de sociale media niet kleiner op geworden, integendeel.

Omdat je als jongere niet goed in weet te schatten of de ander liefdevol en integer met jouw openheid omgaat, is dit een onveilig spel dat veel spanning geeft. Jongeren kunnen lichamelijk volwassen ogen, maar zijn dit innerlijk doorgaans niet. Zij weten niet goed om te gaan met de intimiteit van zichzelf en die ander en publiceren dit vervolgens verkeerd of schaamteloos waarbij ze aanvankelijk die ander al dan niet opzettelijk, en uiteindelijk ook zichzelf schaden. In hun stoerheid of dadendrang blijken ze dan onbetrouwbaar.

Door als jongere je tijdig af te vragen of het wel zo verstandig is om iets te delen via sociale media voorkom je dat je slaaf of slachtoffer bent van je impulsiviteit. Je wilt toch dat het fladdert in je buik in de plaats van over het internet.

*) Om de privacy van cliënten te waarborgen is gekozen voor fictieve namen.

Erbij horen

Uitgestoten worden is waarschijnlijk een oerangst van alle mensen. Een angst om de veiligheid van de vertrouwde groep te verliezen. Volwassenen hebben inmiddels geleerd wat sociaal acceptabel is en zullen minder snel opzettelijk een ander buitensluiten. Kinderen echter, zijn onderling vaak impulsiever, opportunistischer en directer in hun woorden en daden dan de meeste volwassenen en daarbij voelen ze haarfijn aan als een eenling zich onzeker voelt.

Jack (12 jaar) is dit schooljaar begonnen op de brugklas. Hij was de enige van zijn oude lagere school die naar deze middelbare school ging en probeerde extra inspanning te leveren om erbij te horen. Al gauw werd hij betiteld als “meeloper” zonder dat hij mee mocht lopen. Hij mist de eigenheid en de ander voelt dat. Als er groepjes gekozen moesten worden bleef hij over, of als hij zelf actief zijn best deed om kinderen te vragen wezen die hem direct af al dan niet met smoesjes. Jack gebruikte zijn mobiele telefoon als troost om zich in de pauzes bezig te houden, want dat zag er in zijn ogen beter uit dan alleen, doelloos op een bankje zitten.

Ook Luna (10 jaar) geeft aan zich regelmatig buitengesloten te voelen. Ze had een paar vriendinnen, maar sinds er een nieuw meisje in de klas is gekomen delft Luna het onderspit. De nieuweling wist de andere meisjes voor zich te winnen en als Luna vroeg of ze mee mocht doen was het standaard antwoord: “nu even niet”. De ouders van Luna merkten dat ze steeds minder graag naar school ging en niet meer afsprak.

Kinderen zoals Jack en Luna zijn er vele. Zij zijn misschien net wat gevoeliger of minder handig om van zich af te bijten. Ze voelen zich ongemakkelijk als ze geen aansluiting vinden en gaan zich vervolgens ongemakkelijk gedragen en dingen doen die niet bij hen passen om er bij te horen. De ander weet niet precies wat hij bij hen ziet maar pikt die ongemakkelijkheid en onzekerheid op. Zij vinden het (onbewust) fijn om te groeien ten koste van de onzekerheid van de ander. Dat geeft hun macht.

Zowel Jack als Luna help ik bewust te worden wat er innerlijk gebeurd als zij op een ander afstappen.  Het ongemakkelijke gevoel in de buik, het inhouden van de adem, de kwaadheid die zich vast zet op de kaken, de opkomende tranen of het wegstaren. Soms spelen we de situatie na waardoor het kind het ongemakkelijke of onveilige gevoel van er niet bij horen ervaart. Door ze te laten beschrijven wat ze ervaren in lichaam en gevoel, vindt er bewustzijn plaats. Tot dat moment was er louter angst. Ik help ze te oefenen met een manier van reageren die beter past bij hen en de situatie. Door dit in rollenspel te oefenen en vervolgens te doorvoelen kan dit in hen verankeren zodat ze zich er thuis in gaan voelen. Wat er gebeurd is dat hun gedrag begint te passen zoals Darwin dit beschreef in “survival of the fittest”. Hij doelde hier niet op het overleven van de sterkste maar van de best aangepaste. Oftewel om kan gaan met de situatie.

In de therapiesetting help ik hen een betere ervaring op te doen, waardoor eerdere negatieve ervaringen in een breder perspectief komen te staan. Zo doen ze ter zake doende kennis en vertrouwen op en kunnen dientengevolge de sociale arena gelijkwaardiger en zelfverzekerder in.

*) Om de privacy van de cliënten te waarborgen is gekozen voor een fictieve namen.

 

 

Ik zie, ik zie wat jij niet ziet…

Niet iedereen ziet hetzelfde. Een goed voorbeeld hiervan is kleurenblindheid. Gehele of gedeeltelijke kleurenblindheid is het niet volledig normaal waarnemen van kleuren. Bekend is dat dit leidt tot moeilijkheden bij het waarnemen van verschillen tussen met name rood en groen. Dat kleurenblindheid bestaat weten we en vinden we niet gek. Wat we gekker vinden en moeilijker accepteren van onszelf is dat we mogelijk niet goed waarnemen. We ervaren onszelf in ons uiterlijk of ons gedrag anders dan dat het werkelijk is. Dit erkennen kan ons in eerste instantie onzeker maken. Want als we niet goed waarnemen, hoe komen we dan de dag goed door? Hoe maken we de juiste keuzes? En hoe zorgen we dat we niet in de put raken door een verkeerde waarneming? Helpend kan zijn onze waarneming te bestuderen en indien nodig te toetsen op juistheid.

Manet (9) heeft sinds vorig jaar in groep 5 een negatief lichaamsbeeld, ze vindt zichzelf te dik. Ze werd zich toen bewust van haartjes op haar armen en benen en vond haar bovenbenen dik toen ze in de spiegel keek. Ik vraag haar hoe je een idee over jezelf kan krijgen. Volgens haar door foto’s van jezelf, het kijken in de spiegel en door het kijken naar delen van je lichaam die je kunt zien en aanraken. De buitenkant is wat we kunnen zien en binnen is wat we voelen en denken. Manet ziet of denkt te zien dat ze te dik is, en elke twijfelachtige aanwijzing die ze tegen komt grijpt ze aan om dit te bewijzen. Ik vraag haar of dit waar is en of ze dit met mij durft te onderzoeken. Let wel: ze weegt 39 kilo bij een lengte van149 cm.

Tijdens de gymles heeft zij een lange trainingsbroek aan in de plaats van een kort sportbroekje zoals de rest van de klas. Ze schaamt zich als anderen haar vermeende dikke benen zien, vooral tijdens turnoefeningen zoals koprollen maken op de mat. Ik laat haar dit beeld terughalen aan de hand van een visualisatie met de ogen dicht.

Vervolgens laat ik haar beschrijven wat ze tegenkomt in haar lichaam als ze denkt aan het zich te dik voelen. Ze beschrijft dat haar buik rond voelt en opgeblazen en haar hoofd ook. Ze geeft aan een pijn in haar darmen te ervaren en een dichte neus. Ze ervaart ook een druk in haar achterhoofd en een bozig gevoel. Vervolgens geeft ze aan weg te zakken in droombeelden.

Het dik, rond voelen in haar buik en hoofd, gekoppeld aan het bozige gevoel en vervolgens de dromerige ijlerige beelden, geven aan dat de waarneming vertroebeld is, dat snapt Manet ook. Haar hersenen maken haar voor haar gevoel ‘ronder’ dan ze in werkelijkheid is.

Om dit aan te tonen liet ik Manet op een rol behangpapier liggen en trok de omtrek van haar lichaam na op het papier met een stift. Vervolgens liet ik deze zien. Tot haar schrik moest ze bekennen dat er iets heel anders uit kwam dan zij dacht waargenomen te hebben. Nooit had ze verwacht, vanwege haar gevoel van dikte, erop te kunnen liggen. Ze had het zelfs nodig opnieuw te gaan liggen en dit nogmaals te checken.

Dit geeft maar aan dat ze verkeerd waarnam. Dat vond ze zelf ook! Uit verkeerde waarnemingen komen verkeerde handelswijzen en beslissingen voort. Door de therapie is het beeld van Manets werkelijkheid ten goede gecorrigeerd, wat het welzijn van haar enorm heeft verbeterd.

*) Om de privacy van de cliënt te waarborgen is gekozen voor een fictieve naam.

Jongens

Eind juli dit jaar lanceerde SIRE (Stichting Ideële Reclame) haar nieuwe campagne ‘Laat jij jouw jongen genoeg jongen zijn?’. Met deze campagne wil SIRE opvoeders aan het denken zetten over hoe ze met jongens omgaan. Voor jongens die te weinig ruimte krijgen liggen onderpresteren, onzekerheid en motivatieproblemen op de loer, aldus SIRE.

In de praktijk zie ik meerdere jongens die met het probleem kampen creatief en energiek te zijn in vrije situaties, maar niet voldoende uit de verf komen op school waar ze in het gareel moeten lopen.

Bram (8 jaar) geeft aan na een dag school soms helemaal los te gaan op zijn zusje. Een ongelukkig duwtje van haar kan hem dan net te veel worden. Na school is hij praktisch vergroeid met zijn bal. In het weekend blinkt hij uit als spits in zijn voetbalteam. Als hij maar niet stil hoeft te zitten is hij een ander kind.

Ook Loek (10 jaar) heeft het moeilijk op school. ‘Moeten luisteren en taken maken is saai’. Hij is op z’n best als hij in de klas met anderen gaat ‘klooien’ zoals hij dat zelf noemt. Zijn juf stond erop dat hij in therapie ging om te stoppen met zijn grensoverschrijdende, brutale gedrag. Thuis is hij gelukkig als hij filmpjes maakt voor zijn eigen youtubekanaal of ‘echte jongens dingen doet’ zoals uren klussen in de garage.

Beide jongens moeten leren mee te kunnen doen met wat er in het gewone, alledaagse leven van hen verwacht wordt. Zij moeten bewust worden gemaakt van de noodzaak hiervan. Overal gelden normen hoe je je dient te gedragen. Die heb je op het voetbalveld, tijdens de zwemles, in het verkeer en ook op school. Leren ze dit niet, dan maken ze hun leven onnodig lastig en bouwen een achterstand op, zowel cognitief als sociaal. Dit besef alleen maakt nog niet dat het hen lukt om op school stil te zitten. De innerlijke drang om toch te bewegen is vaak groter. Die drang komt uit het onbewuste.

Loek ben ik lichaamsgericht bewust gaan maken van wat er in zijn lichaam gebeurt als hij stil moet zitten. Hij kon zo ervaren dat hij onprettige kriebels kreeg, drukke gedachtes in zijn hoofd en ticjes, zoals het knipperen met zijn ogen. Hij kwam weerstand tegen om deze oefening te doen en wilde ‘weg’. Door dit gevoel van ‘weg willen’ te doorvoelen en beschrijven namen de onrustige gevoelens af. Hij leerde een manier om innerlijk zijn spanning te uiten in de plaats van deze op te bouwen.

Ook Bram werd gaandeweg de therapie geïnteresseerd in zichzelf. Hij wilde weten waarom hij dingen impulsief deed. Eerder wilde hij na een uitbarsting nergens over praten. Nu lukte het hem met de nodige humor van een afstandje naar zijn gedrag te kijken. Zijn vader had hierin een belangrijke rol. Hij hielp Bram na een escalatie rustig te worden en zonder oordeel te bespreken wat hij de volgende keer beter zou kunnen doen. Door in de gesprekken steeds perspectief te krijgen op zijn handelen werd het voor hem interessant en zag hij zijn vader niet langer als belerend.

Deze ervaringen hielpen beide jongens op hun eigen wijze te leren met zichzelf om te gaan. ‘Saai’ was een term die ze gebruikten om dingen bij zich vandaan te houden die ze eerder niet konden duiden of verwoorden. Met de toegenomen zelfkennis konden ze de jongens zijn die ze wilden zijn, want ze begrepen zichzelf beter! Ze leerden als het ware het leuk te vinden aan zichzelf te klussen en het voordeel hiervan is… je hebt het materiaal altijd bij je.

*) Om de privacy van de cliënten te waarborgen is gekozen voor een fictieve namen.

Eigenzinnig

Bodi (5 jaar) luistert thuis slecht en heeft regelmatig last van driftbuien. Ze kan op school vriendelijk en gehoorzaam zijn, terwijl zij thuis brutaal en eigenzinnig is. Bodi accepteert thuis geen nee.

Als ik Bodi’s ouders spreek voor de intake is moeder een beetje lacherig. Ze geeft aan het eigenzinnige van haar dochter wel leuk te vinden. Als ik er op doorvraag verdwijnt de lach van moeders gezicht, want Bodi is zo geneigd haar eigen zin te volgen dat ze hierbij moeder ook wel eens slaat en vieze woorden roept.

Moeder heeft totaal geen gezag, zegt ze zelf. Omdat ze al een paar keer een burn-out heeft gehad, voeden haar ouders haar kinderen bij haar in huis mee op. Nu ze aan de beterende hand is, ergert ze zich aan de manier waarop oma de regie neemt. Oma weet in alles hoe het in moeders huis moet gebeuren en moeder voelt zich daardoor sterk minderwaardig. Zij vindt het ongepast eigenzinnige van haar dochter leuk, omdat die ‘nee’ durft te zeggen, daar waar zij dit niet doet bij haar moeder.

Bodi ziet hoe oma haar moeder steeds corrigeert. Oma domineert moeder, en de slimme kleuter ziet handig haar kans schoon om gebruik te maken van de onzekerheid van haar moeder.

Ik ga Bodi observeren op school en in spel in mijn praktijk. De nadruk komt echter te liggen op oudercoaching. Moeder help ik sterker te worden zodat ze weer kapitein op haar schip wordt en haar eigen koers gaat varen. Zo moet ze van mij oefenen met het stellen van regels in de plaats van vragen. Dus niet: ‘kom je eten?’, maar ‘we gaan eten, zitten allemaal’.

Tijdens de observatie op school zie ik, in de plaats van de door ouders beschreven sterke persoonlijkheid, een timide en onzeker meisje dat om goedkeuring vraagt bij de juf en bij klasgenoten aansluiting probeert te vinden.

De juf geeft aan dat daar waar een ander kind na één keer ‘nee’ stopt, Bodi nog gewoon doorgaat. Als Bodi iets blijft vragen, terwijl het ‘nee’ is, draait de juf demonstratief weg, om Bodi te leren hoe het moet. Zo had Bodi volgens de juf in begin moeite om materialen te delen of af te staan aan andere kinderen. Als de juf duidelijk aangaf: ‘wij spelen samen’, zag de juf haar twijfelen. Tegenwoordig gaat ze er niet tegen in. De juf denkt dat Bodi weet dat ze bij haar moeder een discussie aan kan gaan.

Na enkele weken geeft moeder aan dat oma geschrokken is van de manier waarop moeder ineens voor haarzelf opkomt. Moeder heeft ook aangegeven minder hulp nodig te hebben. Al die tijd was ze bang dat als ze met de hulp van oma zou stoppen, het te druk voor haar zou zijn met de kinderen. Nu ze echter steviger in haar schoenen staat en duidelijk is naar haar kinderen, gebeurt er juist het tegenover gestelde. De kinderen weten beter wat wel en niet mag en stoppen eerder met het geven van weerstand. De sfeer in huis is rustiger en het eigenzinnige van Bodi mag naar voren komen als ze beter, zonder weerstand, mee kan komen met het dagelijkse, het gewone.

Zodra Bodi namelijk de spelregels van omgang thuis en op school goed kent en weet toe te passen, kan ze binnen de hoeken van het veld het bijzondere van haar verder ontwikkelen.

*) Om de privacy van de cliënt te waarborgen is gekozen voor een fictieve naam.

Voor je iets kent, ken je het niet

‘Voor je iets kent, ken je het niet’. Dat schreef ik al in mijn vorige blog ‘Zelluf doen’. Iedereen zal beamen dat het logisch is, maar om een kind de leercurve zelf door te laten maken,  zijn moed en koersvastheid nodig van de ouder. Kinderen zijn er namelijk handig in om het jou als ouder op te laten knappen.

Mick (11 jaar) zit in groep 8 en geeft aan elke dag een stukje zenuwachtiger te zijn vanwege de CITO die dichterbij komt en de dag dat hij naar de middelbare school moet. Hij houdt niet van nieuwe dingen en in de klas heeft hij moeite met begrijpend lezen. Vanuit de angst die hij voelt vult hij zomaar wat in, woorden die volgens hem vanzelfsprekend zouden kunnen zijn in de context van het verhaal, maar die er niet staan. Daarmee is hij er op dat moment vanaf, maar zijn lage cijfers brengen hem terug bij de angst. Volgens zijn vader is dit niet altijd zo geweest. Hij lijkt te blokkeren op het moment dat er iets nieuws op hem afkomt.

Mick geeft mij aan vaak last te hebben van buikpijn en hoofdpijn. Hij wil het hier liever niet over hebben. Door mij en zijn ouders hierbij vandaan te houden probeert hij onbewust de angst uit de weg te gaan. Op het moment namelijk dat er een gesprekje plaatsvindt over zijn problemen, gaat hij zich ongemakkelijk voelen en dat wil hij niet. Door vage antwoorden te geven hoopt hij ervan af te zijn. Hij is hier natuurlijk niet mee geholpen. Zijn ouders zien wel dat Mick meer kan en zij willen samen met school en mij hem helpen tot verbetering te komen. Mick wil wel dat het beter gaat, hij wil alleen niet naar het ongemakkelijke gevoel. Toch is dat precies waar hij doorheen moet, keer op keer om stapjes verder te komen. Anders leert hij niet dat kleine beetje lijden te kunnen doorstaan, maar om het steeds uit de weg te gaan en het een ander op te laten knappen.

Ouders coach ik om het te leren leuk te vinden, hun kind hierin te ondersteunen. In de plaats van bij een zucht, schreeuw of huilbui het voor hun kind op te gaan lossen, hun kind te stimuleren het ‘leren leren’ aan te gaan.

Als een kind merkt dat hij ergens doorheen komt en het ongemakkelijke gevoel heeft getrotseerd, lukt hem dit steeds beter op allerlei vlakken. Niet alleen bij begrijpend lezen, maar bijvoorbeeld ook om de juiste focus te houden tijdens een hockeywedstrijd, waarin zijn team aan de verliezende hand is. In de plaats van het bijltje erbij neer te gooien, de juiste spanning te houden en hiervan te leren genieten – ongeacht wat de uitkomst is. Daarmee ontwikkelt er zich niet alleen toename van kennis, maar ook zelfvertrouwen bij het kind. Oftewel, kennis van zichzelf. In hoe hij reageert in allerlei situaties zowel naar buiten toe als innerlijk. Als het kind zichzelf kent in hoe het innerlijk reageert, is het niet meer zo onder de indruk van de primaire spanning in zijn lijf. Hij weet dan dat dit normaal is en weet ermee om te gaan.
*) vanwege de waarborg van privacy van cliënten is gekozen voor een fictieve naam.

Zelluf doen

Een kind is in eerste instantie nog niet zelfredzaam en moet met alles geholpen worden. De ontwikkeling van zelfredzaamheid is een proces, waarbij het kind steeds meer dingen zelfstandig kan doen. Door de ervaring die kinderen in dit proces opdoen zou je kunnen spreken van een denkbeeldige ‘rugzak’ waarin ze steeds meer bagage hebben die hen kan helpen tot oplossingen te komen in nieuwe of lastige situaties.

Soms komen er kinderen in mijn praktijk die om allerlei redenen hun zelfredzaamheid niet voldoende ontwikkeld hebben. Zo ook Charli (9). Haar leerkracht neemt contact met me op. De leerkracht en Charli’s ouders waren tot de conclusie gekomen dat er hulp nodig is. Hij merkt op dat Charli in de klas erg onzeker is, vaak haar vinger opsteekt en regelmatig bij andere kinderen kijkt en vergelijkt wat zij doen. Als hij Charli een wedervraag stelt blijkt dat ze het antwoord zelf wel weet. Gewoon door de tijd te nemen en even zelf na te denken.

Enkele weken later zie ik Charli in mijn praktijk. Ze is een meisje dat veel piekert en regelmatig angstige gedachten heeft. Door de angst stopt ze met denken over hoe ze iets zelf op zou kunnen lossen. Ze heeft zich aangeleerd het meteen aan een ander te vragen in de plaats van zelf wat langer na te denken, omdat dat haar een ongemakkelijk gevoel geeft. Ze wil wel dingen zelf doen maar kan simpelweg niet tot ideeën komen.

Jonge kinderen zijn net na hun geboorte compleet afhankelijk van hun verzorger. Gaandeweg hun ontwikkeling worden ze steeds zelfredzamer en kunnen ze van kruipen, lopen en van gevoerd worden zelf eten. Ook leren ze zich steeds beter uiten. Van huilen en brabbelen gaat het naar woordjes en hele zinnen. Als dingen lukken krijgen kinderen automatisch ook steeds meer vertrouwen dat het lukt. Dit voedt de innerlijke drang om steeds meer zelf te kunnen. Denk maar aan de peuter die drammerig kan zeggen: ”Ikke zelluf doen”. Als ouders erg bezorgd of beschermend zijn kan het gebeuren dat ze langer dan nodig en gezond is dingen voor hun kind blijven doen. Hierdoor ontwikkelt het kind niet alleen onvoldoende zelfredzaamheid, hij mist ook de groei in zelfvertrouwen.

Voor je iets kent, ken je het niet. Voor menigeen is dat een eng gebied. Als je als ouder voor je kind het steeds oplost, ontneem je je kind die groei. Er is een leercurve waar een ieder door heen moet, geen uitzonderingen. Dit inzicht hebben kind en ouder nodig. Kinderen zijn geboren opportunisten. Zij zullen uit zichzelf niet gauw dingen doen als de ouder het al voor ze doet. Je moet ze dan opnieuw hierin helpen, maar dat kan pas als het kind bereid is zichzelf te helpen. Je kunt alleen diegene helpen die zichzelf wil helpen.

Charli is welwillend. Ik maak haar in de therapie bewust van haar denkbeeldige ‘rugzak’. Een die gevuld is met ervaringen van haar leven tot nu toe. Als er zich een gebeurtenis voor doet waar Charli van schrikt is haar eerste reactie te verstijven en naar binnen te keren. Ik leer haar dit kort te doorvoelen en vervolgens zich te herpakken. Door het zoeken naar oplossingen leuk te gaan vinden inclusief dat beetje angst wat ze tegen komt, weet ze zichzelf steeds beter te redden.

*) vanwege de waarborg van privacy van cliënten is gekozen voor een fictieve naam.